Ouidah, Benin Luanda, Angola Elmina, Ghana James Island, Gambia Goreé, Senegal Badagry, Nigeria Bagamoyo, Tanzania Ilha de Moçambique, Mozambique ZaNZIbar Ouidah, Benin Luanda, Angola Elmina, Ghana James Island, Gambia Goreé, Senegal Badagry, Nigeria Bagamoyo, Tanzania Ilha de Moçambique, Mozambique h et autoloze eiland Gorée, vlak voor de kust van de Senegalese hoofdstad Dakar, ligt er vredig bij. Kinderen lopen blootsvoets door de pastelkleurige straten of spelen op het kleine strand bij de halte van de veerboot. Vissers brengen op hun dooie gemak hun vangst aan wal. Het is moeilijk voor te stellen dat dit slaperige stukje Senegal bekend stond als een van de belangrijkste knooppunten in de internatio- nale slavenhandel. Sterker nog, toen in de zestiende eeuw de eerste slaven de Atlanti- sche Oceaan werden overgebracht, gebeurde dat vanuit Senegal. Tegenwoordig komt iedereen van Youssou N'Dour tot Bill Clinton naar Gorée om te herdenken hoe vier eeuwen lang naar schatting 12 miljoen Afrikanen op de plantages van Noord- en Zuid-Amerika en de Cariben werden afgebeuld. Het belangrijk- ste monument op het eiland is het Maison des Esclaves, een slavenhuis met een deur die pal aan het water ligt. Via deze beruchte Door of No Return werden, zo gaat het verhaal, de slaven op de schepen gelaten. De werkelijk- heid blijkt echter een stuk complexer. Niet Gorée, maar Gambia en het noordelijker gelegen stadje Saint Louis vormden de belangrijkste slavencentra in de regio histo- risch onderzoek wijst uit dat op Gorée 'slechts' 26.000 ongelukkigen hun laatste blik op Afrika wierpen. Geschiedkundigen zijn het er ook over eens dat het Maison des Esclaves werd gebruikt als woonhuis en nooit heeft dienstgedaan als depot voor slaven. Sterker nog, de Door of No Return is volgens hen een fabeltje: geschiedvervalsing om toeristen binnen te halen. Niettemin vormt Gorée een prima startpunt voor iedereen die geïnteres- seerd is in de slavenhandel. Het eiland was in 1444 een van de eerste plekken in Afrika die door de Europeanen zijn verkend en viel mettertijd in handen van alle koloniale grootmachten: Portugal, Engeland, Frankrijk en Nederland. Koloniale gebouwen zijn dan ook overal op het eiland terug te vinden. En hoewel de geschiedenis van het Maison des Esclaves in twijfel moet worden getrokken, maakt dat een bezoek aan het museum met zijn claustrofobische slavencellen niet minder indrukwekkend. Het gebouw staat symbool voor de ontberingen die álle Afrikaanse slaven hebben geleden. Even indrukwekkend is het 170 kilometer zuidelijker gelegen James Island, een piepklein eiland midden in de brede rivier de Gambia. Omringd door baobabs en onder toeziend oog van pelikanen staan hier nog de overblijfselen van een fort dat in de zeven- tiende en achttiende eeuw als bolwerk van de regionale slavenhandel diende. Bewoners van het nabijgelegen dorpje Jufureh brengen je er per kano in twintig minuten naartoe. Op het eiland kochten Franse en Engelse handelaren De slavenhandel naar 'de Nieuwe Wereld' begon in de zestiende eeuw in Senegambia, waar stammen die aan de kust woonden 'krijgsgevangenen' van andere, verder landinwaarts wonende stammen inruilden voor Europese drank, snuisterijen en wapens. In de zeventiende eeuw verplaatste zich het centrum van de slavenhandel naar het zuiden en met name naar de Baai van Benin, die zich uitstrekt van Ghana in het westen tot Nigeria in het oosten. Ook hier werden slaven voornamelijk uit de binnenlanden gehaald. Toen Engeland in 1808 de slavernij afschafte en in de Baai van Benin ging patrouilleren, verschoof de slavenhandel wederom naar het zuiden. Luanda, de hoofdstad van de Portugese kolonie Angola, werd de grootste doorvoerhaven. Gedurende deze tijd werden ook miljoenen inwoners van de binnenlanden van Kenia, Tanzania en Mozambique door Arabische slavenhandelaren naar Noord-Afrika en het Midden- Oosten verscheept. WAAR KWAMEN DE SLAVEN VANDAAN? 'Gorée staat symbool voor de ontberingen die álle afrikaanse slaven hebben geleden' vroegere slavenhavens gebied van herkomst slaven SlaVeNhaVeNS 070
VISSerS IN ouIdah, beNIN slavenhuizen. Een van de best bewaard gebleven gebouwen is het Kasteel van Elmina, aan de baai van het gelijknamige vissersplaatsje. Meer dan 270 jaar lang hield de Nederlandse West-Indische Compagnie de touwtjes hier strak in handen. Ivoor en goud werden in enorme hoeveelheden naar Nederland verscheept terwijl duizenden slaven achter de tralies belandden, in afwachting van hun oversteek naar de plantages van Brazilië en Suriname. Het fort is inmiddels een indrukwekkend slavenmu- seum. Op loopafstand ligt het fort Sint Jago, dat de Nederlanders bouwden als militair vestingwerk. Bovenop de gelijknamige heuvel heb je een mooi uitzicht over de Atlantische Oceaan en alle bedrijvigheid in de haven. Ook het zandstrand van het nabijgelegen Brenu Beach en de lagune van Elmina, waar honderden vogels overwinteren, zijn een bezoek waard. 120 kilometer verderop, in Benin, werden tussen de zeventiende en negentiende eeuw bijna een miljoen Afrikanen voornamelijk naar Brazilië verscheept. In en rondom het stoffige kustplaatsje Ouidah herinneren vervallen koloniale gebouwen en een reeks monumenten aan dit roemruchte verleden. slaven van West-Afrikaanse stammen als de Mandinka en de Wolof. Die namen tijdens stammenoorlogen hun vijanden gevangen en ruilden ze in voor spiegels, kleding, drank en wapens. Een belangrijk deel van het op waarheid gebaseerde boek Roots van Alex Haley speelt zich op het eiland af. De hoofdpersoon Kunta Kinte zou via Fort James de oversteek naar Noord-Amerika hebben gemaakt, samen met honderden andere slaven. Zijn afstammelingen schijnen nog steeds in Jufureh te wonen. Voodoo people In de zeventiende eeuw verplaatste zich het centrum van de slavenhandel naar het zuiden en met name naar de Baai van Benin, die zich uitstrekt van Ghana in het westen tot Nigeria in het oosten. De kusten van de baai stonden in Europa tot de negentiende eeuw bekend als de Goudkust en de Slavenkust. Aan de door palmbomen omzoomde zandstranden van het huidige Ghana maakten hoofdzake- lijk Portugezen, Nederlanders en Britten de dienst uit. Ze bouwden een twintigtal forten om zichzelf tegen concurrenten en opstan- dige Afrikanen te beschermen. Deze forten deden tegelijkertijd dienst als depots en SlaVeNhaVeNS 071